Cardio & vetverlies
Tot nu toe hebben we geleerd dat het lichaam energie haalt uit vetten, koolhydraten en eiwitten. Vetten worden afgebroken tot vetzuren en glycerol, koolhydraten tot glucose, galactose en fructose, en eiwitten tot aminozuren. Bij deze afbraak komt energie vrij, die wordt opgeslagen in ATP (adenosinetrifosfaat). ATP is de direct beschikbare energiebron die het lichaam nodig heeft om te functioneren. Daarom moet het lichaam voortdurend nieuw ATP produceren.
Welke macronutriënten tijdens inspanning worden gebruikt voor de ATP-productie, hangt onder meer af van de duur en intensiteit van de inspanning. De totale ATP-voorraad in het menselijk lichaam bedraagt slechts 80 tot 100 gram. Zelfs een korte sprint is al voldoende om een groot deel van deze voorraad te verbruiken.
ATP wordt geproduceerd in de cellen van het menselijk lichaam. Een cel bestaat onder andere uit een celkern en cytoplasma. De vloeibare basissubstantie van de cel heet het cytosol. In het cytosol bevinden zich onder meer mitochondriën: kleine energiefabriekjes waarin ATP wordt geproduceerd met behulp van zuurstof (aeroob) en voedingsstoffen. ATP kan echter ook zonder zuurstof (anaeroob) worden aangemaakt. Dit proces vindt plaats in het cytosol.
Energiesystemen
Het menselijk lichaam beschikt over drie energiesystemen: het ATP-CP-systeem, het glycolytische systeem en het aerobe systeem. Samen zorgen zij voor voldoende ATP, de directe energiebron voor spiercontracties. Welk systeem het grootste aandeel levert, hangt vooral af van de intensiteit en duur van de inspanning. De energie voor een explosieve versnelling uit een bocht wordt bijvoorbeeld anders geproduceerd dan die voor een langdurige duurloop. De drie systemen werken daarbij voortdurend samen. Zo kan het aerobe systeem lactaat gebruiken dat tijdens de glycolyse is gevormd.
Het ATP-CP-systeem
Het ATP-CP-systeem levert als eerste energie wanneer de direct beschikbare ATP-voorraad in de spieren afneemt. CP staat voor creatinefosfaat (creatine phosphate), de brandstof van dit energiesysteem. Creatinefosfaat draagt een fosfaatgroep over aan ADP, waardoor snel nieuw ATP wordt gevormd. Dit proces vindt plaats in het cytosol, zonder zuurstof (anaeroob), en verloopt razendsnel. Hoe korter en explosiever de inspanning, hoe groter de bijdrage van het ATP-CP-systeem aan de totale energieproductie. Na ongeveer 10 tot 20 seconden is de voorraad creatinefosfaat in de spieren grotendeels uitgeput. Daarom wordt ook het glycolytische systeem al vanaf het begin van een inspanning ingeschakeld. Het aanvullen van creatinefosfaat verloopt via een aeroob proces en kan tot ongeveer drie minuten duren. Dit verklaart mede waarom sprinters na de finish vaak zwaar hijgen.
Het glycolytische systeem
Net als het ATP-CP-systeem werkt het glycolytische systeem anaeroob en vindt het plaats in het cytosol. In dit systeem wordt glucose via glycolyse afgebroken tot pyruvaat (pyrodruivenzuur). Glycolyse is een belangrijke eerste stap in de energieproductie uit glucose, glycogeen en glycerol. Hierbij is geen zuurstof nodig en ontstaan ATP en pyruvaat. Afhankelijk van de energiebehoefte en de beschikbaarheid van zuurstof wordt pyruvaat vervolgens aerobisch verwerkt in de mitochondriën, of tijdens snelle glycolyse omgezet in lactaat. Het snelle glycolytische systeem kan bij maximale inspanning ongeveer één minuut energie leveren en bij een minder intensieve inspanning enkele minuten. Glycolyse kan tot honderd keer sneller energie leveren dan het aerobe systeem.
Snelle glycolyse treedt op wanneer er onvoldoende zuurstof beschikbaar is om ATP volledig aeroob te produceren, bijvoorbeeld tijdens een korte, intensieve inspanning zoals versnellen uit een bocht tijdens het hardlopen. Bij een duurinspanning duurt het ongeveer 25 tot 40 seconden voordat het aerobe systeem voldoende op gang komt. In die periode is het lichaam tijdelijk sterker afhankelijk van het ATP-CP-systeem en het glycolytische systeem. Snelle glycolyse kan ook optreden wanneer de mitochondriën pyruvaat niet snel genoeg kunnen verwerken. Om ophoping van pyruvaat te voorkomen, wordt het omgezet in lactaat. Een mmol is een duizendste van een mol; een mol is een eenheid waarmee de hoeveelheid van een stof wordt uitgedrukt.
Het aerobe systeem
Aerobe ATP-productie vindt, per definitie, plaats in aanwezigheid van zuurstof en gebeurt in de mitochondriën. Dit in tegenstelling tot het ATP-CP-systeem en de snelle glycolyse, die in het cytosol plaatsvinden. Koolhydraten kunnen via snelle glycolyse anaeroob worden afgebroken. Wanneer er echter voldoende zuurstof en tijd beschikbaar zijn, kunnen zij aeroob worden verbrand via langzame glycolyse. Dit proces levert meer ATP per glucosemolecuul op, maar verloopt ook langzamer. Het menselijk lichaam beschikt daarnaast over een grote voorraad potentiële energie in de vorm van vetweefsel. Vetten kunnen uitsluitend aeroob worden verbrand, via een relatief traag proces. Ook eiwitten kunnen met behulp van zuurstof worden ingezet voor ATP-productie, maar dit gebeurt voornamelijk wanneer er onvoldoende koolhydraten beschikbaar zijn. Lactaat dat tijdens snelle glycolyse ontstaat, kan eveneens in de mitochondriën worden gebruikt voor ATP-productie, mits er voldoende zuurstof aanwezig is. Daarnaast worden de creatinevoorraden via aerobe processen weer aangevuld.
Volgorde systemen
Na enkele seconden maximale inspanning is de ATP-voorraad in het lichaam al uitgeput. Het ATP-CP-systeem vult deze direct aan door creatinefosfaat om te zetten in ATP. Na ongeveer tien seconden is ook de voorraad creatinefosfaat vrijwel uitgeput, waardoor snelle glycolyse het grootste deel van de energieproductie overneemt.
Na circa één minuut maximale inspanning neemt ook de capaciteit van het anaerobe systeem sterk af. Het lichaam verbrandt dan een steeds groter deel van de koolhydraten aeroob, via langzame glycolyse. Bij inspanningen die langer duren, speelt ook vetverbranding een steeds belangrijkere rol.
ATP uit vetten
Om triglyceriden uit het vetweefsel te benutten voor de ATP-productie, worden ze via lipolyse afgebroken tot vetzuren en glycerol. Glycerol kan vervolgens via de glycolyse worden omgezet in pyrodruivenzuur. De vetzuren worden vanuit het cytoplasma naar de mitochondriën getransporteerd. Daar worden ze stapsgewijs afgebroken tot acetyl-CoA en energierijke elektronen. In de daaropvolgende processen wordt deze energie gebruikt om ATP te produceren.
Ook het gevormde acetyl-CoA is energierijk en levert een belangrijke bijdrage aan de ATP-productie. De afbraak van één vetzuur kan dan ook veel energie opleveren: zo levert palmitaat ongeveer 129 ATP, circa vier keer zoveel als één glucosemolecuul.
ATP uit koolhydraten
Koolhydraten uit voeding worden tijdens de spijsvertering afgebroken tot glucose, galactose en fructose. In de lever worden galactose en fructose omgezet in glucose, zodat deze kunnen worden gebruikt voor de productie van ATP. Het proces waarbij uit koolhydraten ATP wordt gevormd, heet glycolyse.
Tijdens de glycolyse worden glucose, glycogeen of glycerol afgebroken tot pyrodruivenzuur. Dit snelle, anaerobe proces levert per glucosemolecuul 2 ATP op, of 3 ATP wanneer glycogeen wordt gebruikt, evenals 2 moleculen pyrodruivenzuur. Vervolgens kan het pyrodruivenzuur in het cytoplasma worden omgezet in lactaat of naar de mitochondriën worden getransporteerd.
Wanneer spiervezels meer energie vragen dan via aerobe energielevering kan worden geproduceerd, maakt het lichaam gebruik van lactaatvorming. Er is dan onvoldoende zuurstof beschikbaar om het pyrodruivenzuur naar de mitochondriën te transporteren. In plaats daarvan wordt het in het cytoplasma omgezet in lactaat. Dit systeem, waarbij lactaat het eindproduct is, wordt snelle glycolyse genoemd. Het kan ongeveer één minuut op volle capaciteit functioneren.
Door de ophoping van lactaat kunnen spieren een verzurend gevoel geven. De intensiteit van de inspanning moet vervolgens worden verlaagd, zodat er opnieuw voldoende zuurstof beschikbaar komt in de spiercellen. Wanneer het lichaam minder snel ATP hoeft te produceren en er voldoende zuurstof aanwezig is, wordt pyrodruivenzuur niet omgezet in lactaat. Het wordt dan naar de mitochondriën getransporteerd, waar aanzienlijk meer ATP kan worden geproduceerd: ongeveer 32 ATP per glucosemolecuul.
ATP uit eiwitten
Eiwitten uit de voeding worden tijdens de spijsvertering afgebroken tot aminozuren. Deze aminozuren hebben verschillende belangrijke functies in het lichaam. Zo zijn ze onder meer nodig voor de aanmaak van albumine, enzymen, hormonen, neurotransmitters en spierweefsel.
Bij een langdurig tekort aan energie of eiwitten kan het lichaam spierweefsel afbreken. De aminozuren die hierbij vrijkomen, worden vervolgens gebruikt voor de productie van ATP, de belangrijkste energieleverancier voor de cellen. Dit kan leiden tot een afname van de spiermassa.
De eerste stap in dit proces is desaminering: hierbij wordt de aminogroep van een aminozuur verwijderd. De resterende organische zuren kunnen vervolgens worden omgezet in pyrodruivenzuur, acetyl-CoA of tussenproducten van de citroenzuurcyclus. Deze stoffen kunnen daarna worden gebruikt voor de productie van ATP.
ATP uit lactaat
Lactaat maakt het mogelijk dat de snelle glycolyse langer doorgaat en vormt bovendien een uitstekende koolhydraatbron voor het aerobe energiesysteem. De mitochondriën in langzame spiervezels kunnen namelijk tot 80% van het lactaat dat tijdens de snelle glycolyse wordt geproduceerd, gebruiken voor de aanmaak van ATP. Elk lactaatmolecuul kan daarbij 15 ATP opleveren. De snelle glycolyse levert netto 2 ATP en produceert 2 lactaatmoleculen. Hierdoor bedraagt de totale energieopbrengst van één glucosemolecuul 32 ATP: precies evenveel als bij langzame glycolyse. Spieren kunnen lokaal geproduceerd lactaat afgeven aan het bloed, zodat het elders opnieuw als brandstof kan worden gebruikt. Zo kan lactaat vanuit inactieve spiervezels naar aangrenzende actieve spiervezels worden vervoerd, waar het wordt ingezet voor de productie van ATP.
Glycogeen kan worden afgebroken tot glucose, dat via snelle glycolyse wordt omgezet in 2 lactaatmoleculen. Via de bloedsomloop wordt dit lactaat naar de lever vervoerd, waar het weer wordt omgezet in pyrodruivenzuur. Dit kan vervolgens direct als brandstof worden gebruikt of in de lever verder worden omgezet in glucose of glycogeen. Deze cyclus wordt een steeds belangrijkere bron van glucose wanneer er weinig tot niets wordt gegeten en/of langdurig wordt gesport. Hoewel de Cori-cyclus netto 4 ATP kost, helpt deze cyclus de hersenen van voldoende glucose te voorzien.
Wanneer welke brandstof
Verschillende factoren bepalen of het lichaam vooral vetten of koolhydraten gebruikt om ATP te produceren. Een van de belangrijkste is de intensiteit van de inspanning. Tijdens intensieve inspanning is de behoefte aan ATP hoog. Naarmate de intensiteit toeneemt, gebruikt het lichaam meer koolhydraten als energiebron.
Bij maximale inspanning van ongeveer vijftien minuten of korter zijn koolhydraten en creatinefosfaat zelfs de voornaamste energiebronnen. In rust en tijdens lichte inspanning geeft het lichaam daarentegen de voorkeur aan vetten om aan de energiebehoefte te voldoen.
De absolute vetverbranding bereikt een piek bij een inspanningsintensiteit van ongeveer 65% van de VO2max. Wie de vetverbranding wil stimuleren, kan daarom het beste niet te intensief trainen. Tijdens een langdurige training verbrandt het lichaam tegen het einde bovendien meer vet per minuut dan tijdens een korte training. Ook een lage glycogeenvoorraad in de spieren en lever bevordert de vetverbranding.
De VO2MAX
De VO2max, ook wel het maximale zuurstofopnamevermogen genoemd, is de maximale hoeveelheid zuurstof die je lichaam per tijdseenheid kan opnemen, transporteren en gebruiken tijdens lichamelijke inspanning op zeeniveau. Deze waarde is een belangrijke graadmeter voor je conditie en uithoudingsvermogen: hoe hoger je VO2max, hoe efficiënter je lichaam de zuurstof die je tijdens het sporten inademt omzet in energie.
Goed getrainde atleten hebben doorgaans een hoge VO2max. De Coopertest is een eenvoudige en betrouwbare manier om deze waarde te schatten. Tijdens deze test ren je 12 minuten in een zo hoog mogelijk tempo. Aan de hand van de afstand die je in die tijd aflegt, wordt je VO2max berekend. Voor een zo nauwkeurig mogelijk resultaat is het belangrijk dat je jezelf volledig inzet.
Je kunt je VO2max berekenen met de formule: (afgelegde afstand in meters – 505) / 45. Heb je bijvoorbeeld in 12 minuten 2.000 meter afgelegd? Dan is je VO2max: (2.000 – 505) / 45 = 33,2 ml/min/kg.
Er zijn ook andere standaardformules, zoals: VO2max = (maximale hartslag / rusthartslag) x 15. Meet je rusthartslag door eerst ongeveer 10 minuten rustig te zitten. Plaats daarna twee vingers aan de binnenkant van je pols en tel je hartslagen gedurende 30 seconden. Verdubbel dit aantal om je hartslag per minuut te berekenen. Je kunt hiervoor natuurlijk ook een hartslagmeter, sporthorloge of mobiele app gebruiken.
High intensity intervaltraining (HIIT)
High Intensity Interval Training (HIIT) is een trainingsvorm waarbij je korte, intensieve inspanningen afwisselt met minder intensieve oefeningen of rustmomenten. In één effectieve workout combineer je kracht, conditie en vetverbranding.
Door de hoge intensiteit en de sterk verhoogde hartslag verbrand je veel calorieën, verbeter je je conditie en stimuleer je de spieropbouw. Dankzij het afterburn-effect blijft je lichaam bovendien ook na de training calorieën verbranden. Tijdens de minder intensieve intervallen, wanneer je hartslag daalt, schakelt je lichaam sterker over op vetverbranding.
Dat maakt HIIT-trainingen bijzonder effectief en populair. Afhankelijk van hoe vaak je sport, kun je één tot twee HIIT-sessies per week uitstekend combineren met één tot twee traditionele cardiotrainingen. Een extra voordeel: HIIT kost weinig tijd en is eenvoudig thuis uit te voeren.
Wat is de ideale hartslag voor vetverbranding?
Wil je afvallen? Kies dan voor een rustig en gelijkmatig tempo dat je langere tijd kunt volhouden. Zo verbrand je relatief veel vet en blijft bewegen prettig en haalbaar. Je hartslag helpt je om het juiste tempo te bepalen. Voor vetverbranding ligt de ideale hartslag doorgaans tussen 60% en 70% van je maximale hartslag. Die maximale hartslag kun je globaal berekenen met de vuistregel: 220 min je leeftijd.
Rekenvoorbeeld ideale hartslag:
Een vrouw van 38 jaar wil vet verbranden door te hardlopen. Voor gewichtsverlies en vetverbranding ligt haar ideale hartslag tussen 60% en 70% van haar maximale hartslag (HFmax). Houd er rekening mee dat je lichaam vet pas echt als belangrijke energiebron gaat gebruiken wanneer je de inspanning langer dan 20 minuten volhoudt. Haar geschatte maximale hartslag is 220 – 38 = 182 slagen per minuut. Wil zij op 65% van haar maximale hartslag trainen, dan houdt zij haar hartslag rond de 118 slagen per minuut.
Bedankt voor het volgen van de cursus
Vergeet ons niet te delen
------------------------------
<< NAAR HOME
------------------------------